Site-archief

Die verrekte darmbacteriën ook!

natte mest close up Al een tijdje wordt ik op de hoogte gehouden over de mestkwaliteit van een paard. Zo gaat het weken goed en zo is er opeens weer een grote hoeveelheid water bij de mest. Echte aanleidingen zijn eigenlijk niet te vinden. Ondanks alle moeite en inspanning door de eigenaresse, blijft het een niet geheel stabiele situatie daar in die darmen.

De darmflora is voor de gezondheid van het paard waarschijnlijk de belangrijkste schakel. Zonder de juiste combinatie en hoeveelheid aan bepaalde bacteriën, protozoën en schimmels is een groot deel van het voer niet te verteren, en is de kans groter op opname aan giftige stoffen en daalt de weerstand. Ondanks het feit dat dit zo’n belangrijk onderdeel is in het hele paarden gezondheidsverhaal, is er maar betrekkelijk weinig over bekend. De crux voor het maken van een gezond paardenmenu is ervoor te zorgen dat de darmflora optimaal functioneert. Soms is dat betrekkelijk eenvoudig voor elkaar te krijgen door het paard vooral veel ruwvoer te geven. Dat dat ruwvoer ook weleens verstorend kan zijn, is in de voorgaande blog aan de orde geweest. Maar soms is alleen ruwvoer niet voldoende. En is meer nodig om het aandeel goede bacteriën in aantal te laten toenemen en duidelijk de overhand te laten krijgen over de ‘slechtere’. En dan nog blijft het dus soms een labiele situatie.

De darmflora heeft verschillende functies: energieproductie, bescherming; bepaalde bacteriën kleven aan de darmwand en zorgen ervoor dat bepaalde gifstoffen of slechte bacteriën er niet door kunnen en weerstand; door hun aanwezigheid stimuleren bacteriën de immuniteitscellen die vlak onder de darmwand liggen.

Een ziekte tijdens de eerste maanden in het leven van het veulen kan nadelig effect hebben op de ontwikkeling van een gezonde darmflora. En mogelijk heeft erfelijkheid hierin ook nog een rol. Uiteindelijk kan het dus zijn dat sommige paarden een darmflora hebben die minder gezond is en eerder uit balans raakt. Oftewel, daar waar de meeste paarden helemaal geen koliek of diarree van krijgen, krijgt dit paard dat wel. Dit verklaart dus de individuele verschillen en reacties op voedermiddelen.
Ondersteuning met probiotica, prebiotica, snel fermenteerbare vezels, maar misschien zelfs wat krachtvoer kan de balans verbeteren. Dan komt de simpele vraag: wat en hoeveel moet je geven voor het beste resultaat?
Voor je daar maar enigszins een antwoord op kan geven is verdieping nodig in deze materie. Er zijn eigenlijk geen wetenschappelijke publicaties over deze specifieke patiënten met één van deze toevoegmiddelen. Alleen over de effecten van probiotica (mn levende gistcellen) is redelijk veel gepubliceerd, met name over het effect op de verteerbaarheid in de blinde- en dikke darm bij gezonde paarden.
De darmflora samenstelling krijgt de laatste tijd gelukkig wel extra aandacht. Slechts 5% van de darmbacteriën zijn daadwerkelijk bekend, de overige zijn wel in groepen te plaatsen, maar niet volledig gedetermineerd. DNA-technieken brengen hier nu verandering in.

Ongeacht de weinig beschikbare kennis over effecten op de gezondheid van het paard, laat staan de werkzaamheid, zijn er tal van supplementen beschikbaar die probiotica en prebiotica bevatten. De supplementen hebben vaak een variatie aan ingrediënten zonder exacte gehalten te vermelden zodat het niet duidelijk is hoeveel het paard binnenkrijgt. Van het beetje onderzoek bij het paard, maar ook bij andere diersoorten is wel bekend dat zowel van de gistculturen als van bijvoorbeeld inuline of fructo oligosacchariden (FOS) (prebiotica) een bepaalde hoeveelheid nodig is om enig effect te sorteren. Voor de prebiotica is dat het minst onderzocht, maar met 25-30 g per dag aan bijvoorbeeld inuline stijgt het aantal darmbacteriën en produceren ze meer energie voor het paard. Of een supplement met 2, 4 of 10 gram FOS of inuline dan iets uithaalt is de vraag.
Van de gistsoort Saccharomyces Cerevisiae bestaan wel 1000 variëteiten. Vandaar dat de naam eigenlijk nog niet alles zegt. Voor het paard zijn momenteel drie soorten geregistreerd die als probioticum gebruikt kunnen worden (Yea-sacc 1026, Actisaf SC 47 en Biosprint 39885). Daarvoor staat ook duidelijk een dosering vermeldt. Minder toevoegen geeft minder of geen effect. Controleer of het supplement één van deze gistculturen bevat, anders heeft het voor de darmgezondheid weinig zin.
Andere probiotica, zoals bacteriestammen, zijn voor het paard nog niet geregistreerd. Dus als er bijvoorbeeld op het supplement staat dat er Lactobacillen in zitten of Bifidobacteriën, dan is dit voor de gezondheid van het paard volslagen nutteloos. Het werkt niet!

Alles wat doorstroomt uit de dunne darm is voedsel voor de darmbacteriën. Een groot deel van het zetmeel, vet en eiwit zal in de dunne darm verteerd zijn. Maar (bijna) nooit voor 100%. De voedselbrij die de dikke darm binnenstroomt bevat hoofdzakelijk vezels plus kleine hoeveelheden zetmeel, eiwitten en een beetje vet. Krijgt het paard geen krachtvoer, dan ook geen opname van zetmeel. Zetmeel is door bacteriën wel een hele makkelijk te gebruiken energiebron, waar ze dus goed van kunnen groeien. Dit zijn niet de ideale bacteriën om veel van in de darmflora te hebben, omdat ze melkzuur produceren en de zuurtegraad beïnvloeden. Maar als er voldoende melkzuur-‘etende’ bacteriën zijn, dan krijgen die juist wat extra voedingsstoffen en vermeerderen zich, en dit zijn wel geschikte darmbacteriën. Zo is ook eiwit, of eigenlijk stikstof, onmisbaar voor een goede bacterieflora. Uit onderzoek blijkt dat een klein deel krachtvoer aanvulling op een ruwvoer rantsoen de totale verteerbaarheid van het rantsoen verbetert en zorgt voor een grotere hoeveelheid bacteriën in de blinde en dikke darm. Het komt er dus op neer om de juiste balans zien te vinden.

Pectine vezels mogen in dit kader niet onbesproken blijven. Celwanden van voedermiddelen bestaan uit cellulose, hemicellulose en pectine. De eerste twee zijn wat traag af te breken door de bacteriën, maar pectine gaat vrij snel en gemakkelijk. Pectinevezels stimuleren de bacteriegroei en versnellen de fermentatie. De totale biomassa in de dikke darm neemt dus toe. Een grote biomassa van ‘goede’ bacteriën is minder snel uit balans te brengen dan een kleine biomassa, als er plotseling teveel zetmeel doorstroomt uit de dunne darm. Pectine komt veel vooral veel voor in de vezels van bietenpulp, maar ook in fruit. Een kleine toevoeging aan het rantsoen kan de darmgezondheid verbeteren. Uiteraard wel even in water laten weken. Met 200-300 gram (droog gewicht) per dag hoef je niet bang te zijn om bijvoorbeeld teveel suikers te geven. Want dat gehalte is minder dan 10%, en geeft geen risico, ook niet voor de zogenaamde ‘suikergevoelige” paarden. Gedroogde appelpulp zoals in de Sanéqui voeders worden gebruikt, hebben hetzelfde effect, maar geven geen kans op bijvoorbeeld een slokdarmverstopping (zoals bij het geven van droge bietenpulp).
Uitbalanceren van het rantsoen tot de juiste samenstelling is bereikt waarbij de darmflora van het paard zo optimaal mogelijk functioneert blijft een continue zoektocht. En helaas kunnen we niet ín het paard kijken wat er gebeurt en moeten we het doen met hoe het paard gezond blijft, presteert en welke mest hij produceert. Verandert er iets in de situatie, zoals het ruwvoer, dan moet je opnieuw de juiste balans gaan zoeken. Vandaar dat voeding een dynamisch onderdeel is en altijd je aandacht nodig heeft.